Opleiding

Jozef J. Peters begint zijn opleiding aan de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten in 1952.

Hij krijgt er les van van onder meer Carlo De Roover (schilderen) en de Mortselse graficus en schilder Jules Van Ael (tekenen), en van de beeldhouwers Leopold Van Esbroeck, Arthur Dupon en Willy Kreitz. Peters onderscheidt zich als briljant academiestudent.

Vanaf 1954 vervolmaakt hij zich gedurende vijf jaar aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten in het atelier van Henri Puvrez. In 1959 wordt hij bekroond tot laureaat. Vanaf dan werkt hij als zelfstandig kunstenaar.

Prijzen

  • eerste prijs en zilveren medaille van de staat voor hout- en steenkappen (prof. Dupon)
  • eerste prijs met grootste onderscheiding en gouden medaille van de staat voor boetseren van figuur naar het leven (prof. Dupon)
  • eerste prijs met grote onderscheiding voor boetseren van figuur naar het leven (prof. Kreitz)
  • 1956 – genomineerd voor de Prijs van Rome, erkenning die dat jaar (niet zonder controverse) wordt toegekend aan Olivier Strebelle

Leermeesters

Jules Van Ael (1912-1997)

Met zijn toepassing van een modernistische zuivere vormgeving op klassieke en geïdealiseerde interpretaties van het vrouwelijk naakt heeft Willy Kreitz een zekere formele invloed op Peters.

Omwille van het technische meesterschap van zijn pupil doet Kreitz een beroep op Peters voor de uitvoering van het Nationaal Monument voor de Zeelieden in Oostende (1953, Zeeheldenplein).

Henri Puvrez debuteert in 1919 in de voor de doorbraak van de moderne kunst in België belangrijke Brusselse Galerie Georges Giroux. Aanvankelijk gaat hij onder invloed van de expressionistische en primitivistische beeldtaal van Ossip Zadkine en Oscar Jespers op zoek naar stilering en abstrahering. Mettertijd grijpt hij terug naar een meer klassieke vormgeving.

Peters loopt geenszins op met de autoritaire Puvrez, die zelden aanwezig is en hem ‘niets bijgebracht’ heeft. Ongetwijfeld ziet hij in diens evolutie zijn eigen overtuiging bevestigd dat een streven naar stilering nooit volledig mag worden losgekoppeld van de klassieke figuratie.

Net als Puvrez werkt Peters liefst van al in taille directe, bij voorkeur in arduin. Deze inheemse steensoort zal hij later gebruiken voor enkele sleutelwerken in zijn oeuvre.

Michelangelo en het non-finito

Michelangelo hanteert de techniek van het ‘non-finito’ onder meer bij zijn Slaven. De indruk ontstaat dat de beelden letterlijk niet zijn afgewerkt.

Michelangelo illustreerde hiermee zijn overtuiging dat elk beeld in de door God gegeven materie vervat zit. Het kan door de kunstenaar enkel worden ontdekt.

Uit de ruwe, onbehandelde delen spreekt de immense natuurkracht. Ze benadrukt, haast melancholisch, de transcendente schoonheid van de figuur die eruit loskomt.

De dynamiek die hier bij Michelangelo van uitgaat, is ook in vele werken van Peters het beoogde effect.