Peters blijft altijd overtuigd van een klassieke, ambachtelijke vorming. Die is geworteld in de rijkelijk gedrapeerde plooien van de kunstgeschiedenis. Verder wordt ze gevoed door mythologische verhalen. En door talrijke reizen – van soms meerdere maanden – naar westerse en oosterse culturen.

Want Peters reist om te leren. Naar Italië uiteraard, met de fiets, onder meer om eigenhandig marmer te kappen in Carrara, of grijze graniet in Tempio Pausania. Naar Egypte ook, om roze graniet te kappen in Caïro en – letterlijk – te kamperen tussen de piramides. En naar Griekenland, om er in opdracht van de University of New South Wales mee te werken aan de archeologische opgravingen in Knossos.

Maar evengoed trekt Peters naar Noorwegen, Marokko en Afghanistan, later ook naar Indië en Nepal …