Oeuvre
Een streven naar stilering kan voor Peters nooit volledig mag worden losgekoppeld van de klassieke figuratie.
Peters werkt onvermoeibaar. Hij boetseert, mouleert en kapt, en kapt, en kapt. In diverse hout- en steensoorten.
Zo wordt hij beeldhouwer in de betekenis die Theo van Looij, inspecteur van het kunstonderwijs en later directeur van de Antwerpse Academie, er in een bespreking van Peters’ werk voor de toenmalige BRT aan zal geven.
Die omschrijving onderbouwt het belang dat Peters zijn leven lang zal hechten aan een klassieke, ambachtelijke vorming. Ze is geworteld in de rijkelijk gedrapeerde plooien van de kunstgeschiedenis en wordt gevoed door mythologische verhalen en talrijke reizen naar westerse en oosterse culturen.
Tegelijk bevat Van Looijs beschrijving van de kunstenaar die zijn inspiratie uit de geslotenheid van de materie loshouwt, een subtiele echo van de beate bewondering die Peters koestert voor Michelangelo.